norwegian

[US]/nɔ:ˈwi:dʒən/
[UK]/nɔrˈwidʒən/
Frequency: Very High

Translation

n. een persoon uit Noorwegen of de Noorse taal
adj. betrekking hebbend op Noorwegen, zijn mensen of de Noorse taal.
Word Forms

Phrases & Collocations

Norwegian language

Noorse taal

Norwegian culture

Noorse cultuur

Norwegian cuisine

Noorse keuken

norwegian sea

Noorse zee

Example Sentences

I am learning Norwegian language.

Ik ben Noors aan het leren.

She loves Norwegian cuisine.

Ze houdt van Noorse keuken.

Norwegian people are known for their love of nature.

Noorwegen is bekend om hun liefde voor de natuur.

He dreams of visiting Norwegian fjords.

Hij droomt van het bezoeken van Noorse fjorden.

The Norwegian flag is red, white, and blue.

De Noorse vlag is rood, wit en blauw.

Norwegian wood is known for its quality.

Noors hout staat bekend om zijn kwaliteit.

They are planning a Norwegian cruise for their vacation.

Ze plannen een Noorse cruise voor hun vakantie.

She bought a Norwegian sweater as a souvenir.

Ze kocht een Noorse trui als souvenir.

Norwegian literature is rich in folklore.

Noorse literatuur is rijk aan volksverhalen.

He enjoys listening to Norwegian music.

Hij geniet van het luisteren naar Noorse muziek.

Popular Words

Explore frequently searched vocabulary

Download App to Unlock Full Content

Want to learn vocabulary more efficiently? Download the DictoGo app and enjoy more vocabulary memorization and review features!

Download DictoGo Now