force forcer
force forcer
enforcer forcer
enforcer forcer
policy forcer
policy forcer
law forcer
law forcer
rule forcer
rule forcer
task forcer
task forcer
safety forcer
safety forcer
order forcer
order forcer
change forcer
change forcer
action forcer
action forcer
he had to forcer himself to finish the project.
hij moest zichzelf dwingen het project af te maken.
sometimes you need to forcer your opinions on others.
soms moet je je meningen op anderen forceren.
she tried to forcer a smile despite her sadness.
ze probeerde een glimlach te forceren ondanks haar verdriet.
it’s not easy to forcer a change in habits.
het is niet gemakkelijk om een verandering in gewoonten te forceren.
he had to forcer his way through the crowd.
hij moest zich een weg door de menigte forceren.
don't forcer yourself to do something you don't enjoy.
dwing jezelf niet om iets te doen wat je niet leuk vindt.
she felt the need to forcer her feelings out.
ze voelde de behoefte om haar gevoelens te forceren.
sometimes you have to forcer a decision.
soms moet je een beslissing forceren.
he tried to forcer a conversation with her.
hij probeerde een gesprek met haar te forceren.
they had to forcer the issue to get a response.
ze moesten de kwestie forceren om een reactie te krijgen.
Ontdek vaak opgezochte woordenschat
Wil je efficiënter woordenschat leren? Download de DictoGo-app en profiteer van meer functies voor het onthouden en herhalen van woordenschat!
Download DictoGo nu