twin

[US]/twɪn/
[UK]/twɪn/
Frequency: Very High

Translation

vt. vorm een paar
n. een van de twee kinderen die op hetzelfde moment zijn geboren
adj. gerelateerd aan twee kinderen die op hetzelfde moment zijn geboren
vi. om tweelingen te baren; om een paar te vormen.
Word Forms
Past Participletwinned
Present Participletwinning
Third Person Singulartwins
Pluraltwins
Past Tensetwinned

Phrases & Collocations

identical twin

identieke tweeling

fraternal twin

broertje en zusje

twin siblings

tweelingbroers en zussen

twin screw

dubbele schroef

twin sister

tweelingzus

twin brother

tweelingbroer

twin towers

tweelingtorens

twin room

tweepersoonskamer

twin cities

Twin Cities

deformation twin

deformatie-tweeling

twin bed

tweepersoonsbed

Example Sentences

a twin lamp fixture.

een dubbele lamparmatuur.

twin executives; twin cities; a twin bed.

dubbele uitvoerende ambtenaren; dubbele steden; een tweepersoonsbed.

The twins halve everything.

De tweelingen halveren alles.

twin statuettes on the mantelpiece

tweelingbeeldjes op de schoorsteenmantel

The vine twines round the tree.

De wijnrank wentelt zich om de boom.

I can't tell the twins apart.

Ik kan de tweelingen niet van elkaar onderscheiden.

the twins were arch-enemies.

de tweelingen waren bittere vijanden.

the twins were cocaine freaks.

De tweeling was gek op cocaïne.

she gave birth to twin boys.

zij beviel van tweelingzoons.

These twins are very much alike.

Deze tweelingen lijken erg veel op elkaar.

Tim, the thin twin tinsmith.

Tim, de dunne tweeling blikslager.

The fence post was twined by vines.

Het hekwerkpaal was omwonden met wijnranken.

a stream twining through the forest.

een beek die door het bos kronkelde.

Popular Words

Explore frequently searched vocabulary

Download App to Unlock Full Content

Want to learn vocabulary more efficiently? Download the DictoGo app and enjoy more vocabulary memorization and review features!

Download DictoGo Now