| Past Tense | flittered |
| Past Participle | flittered |
| Present Participle | flittering |
| Plural | flitters |
| Third Person Singular | flitters |
flitter about
rondfladderen
flitter away
wegfladderen
flitter past
voorbijfladderen
flitter off
wegfladderen
flitter around
rondfladderen
flitter in
naar binnen fladderen
flitter out
naar buiten fladderen
flitter here
hierheen fladderen
flitter there
daarheen fladderen
flitter along
langzaam fladderen
the butterflies flitter around the garden.
de vlinders fladderen rond in de tuin.
children love to flitter from one activity to another.
kinderen houden ervan om van de ene activiteit naar de andere te fladderen.
she watched the leaves flitter down from the trees.
ze keek hoe de bladeren van de bomen vielen.
the birds flittered about, searching for food.
de vogels fladderden rond, op zoek naar eten.
as the sun set, fireflies began to flitter in the dusk.
toen de zon onderging, begonnen vuurvliegjes te fladderen in de schemering.
she tried to flitter through her chores quickly.
ze probeerde haar taken snel te verrichten.
the dancer's movements seemed to flitter across the stage.
de bewegingen van de danser(es) leken over het podium te fladderen.
he let his thoughts flitter away like clouds in the sky.
hij liet zijn gedachten wegfladderen als wolken in de lucht.
the little fairy would flitter around the flowers.
de kleine fee zou rond de bloemen fladderen.
they could see the butterflies flittering in the sunlight.
ze zagen de vlinders in het zonlicht fladderen.
flitter about
rondfladderen
flitter away
wegfladderen
flitter past
voorbijfladderen
flitter off
wegfladderen
flitter around
rondfladderen
flitter in
naar binnen fladderen
flitter out
naar buiten fladderen
flitter here
hierheen fladderen
flitter there
daarheen fladderen
flitter along
langzaam fladderen
the butterflies flitter around the garden.
de vlinders fladderen rond in de tuin.
children love to flitter from one activity to another.
kinderen houden ervan om van de ene activiteit naar de andere te fladderen.
she watched the leaves flitter down from the trees.
ze keek hoe de bladeren van de bomen vielen.
the birds flittered about, searching for food.
de vogels fladderden rond, op zoek naar eten.
as the sun set, fireflies began to flitter in the dusk.
toen de zon onderging, begonnen vuurvliegjes te fladderen in de schemering.
she tried to flitter through her chores quickly.
ze probeerde haar taken snel te verrichten.
the dancer's movements seemed to flitter across the stage.
de bewegingen van de danser(es) leken over het podium te fladderen.
he let his thoughts flitter away like clouds in the sky.
hij liet zijn gedachten wegfladderen als wolken in de lucht.
the little fairy would flitter around the flowers.
de kleine fee zou rond de bloemen fladderen.
they could see the butterflies flittering in the sunlight.
ze zagen de vlinders in het zonlicht fladderen.
Ontdek vaak opgezochte woordenschat
Wil je efficiënter woordenschat leren? Download de DictoGo-app en profiteer van meer functies voor het onthouden en herhalen van woordenschat!
Download DictoGo nu