| Present Participle | gnawing |
gnawing pain
knagende pijn
gnawing hunger
knagende honger
gnawing anxiety
knagende angst
a dog gnawing a bone.
een hond die aan een bot knaagt.
the gnawing pains of hunger
de knaagende pijn van honger
waves gnawing the rocky shore.
golven die aan de rotsachtige kust knagen.
These doubts had been gnawing at him for some time.
Deze twijfels knaagden al een tijdje aan hem.
He was afflicted always with a gnawing restlessness.
Hij werd altijd geplaagd door een knagende rusteloosheid.
The farmer’s dog has been gnawing away on a bone under the table.
De hond van de boer heeft onder de tafel aan een bot geknaagd.
gnawing pain
knagende pijn
gnawing hunger
knagende honger
gnawing anxiety
knagende angst
a dog gnawing a bone.
een hond die aan een bot knaagt.
the gnawing pains of hunger
de knaagende pijn van honger
waves gnawing the rocky shore.
golven die aan de rotsachtige kust knagen.
These doubts had been gnawing at him for some time.
Deze twijfels knaagden al een tijdje aan hem.
He was afflicted always with a gnawing restlessness.
Hij werd altijd geplaagd door een knagende rusteloosheid.
The farmer’s dog has been gnawing away on a bone under the table.
De hond van de boer heeft onder de tafel aan een bot geknaagd.
Explore frequently searched vocabulary
Want to learn vocabulary more efficiently? Download the DictoGo app and enjoy more vocabulary memorization and review features!
Download DictoGo Now