marriedly happy
Dutch_translation
marriedly speaking
Dutch_translation
marriedly so
Dutch_translation
being marriedly
Dutch_translation
marriedly lived
Dutch_translation
marriedly bound
Dutch_translation
marriedly tied
Dutch_translation
marriedly committed
Dutch_translation
marriedly devoted
Dutch_translation
marriedly arranged
Dutch_translation
they lived marriedly for fifty happy years.
Zij leefden getrouwd samen voor vijftig gelukkige jaren.
she smiled marriedly at her husband across the table.
Zij glimlachte getrouwd naar haar man over de tafel.
the couple behaved marriedly throughout the formal dinner.
Het koppel gedroeg zich getrouwd tijdens het formele diner.
they settled marriedly into their new home together.
Zij vestigden zich getrouwd samen in hun nieuwe huis.
he gazed marriedly at his bride on their wedding day.
Hij keek getrouwd naar zijn bruid op hun trouwdag.
the elderly pair walked marriedly through the garden.
Het oudere koppel wandelde getrouwd door het tuin.
they discussed their future marriedly over coffee.
Zij bespraken hun toekomst getrouwd over koffie.
she nodded marriedly, understanding his meaning perfectly.
Zij knikte getrouwd, en begreep zijn betekenis volledig.
the newlyweds danced marriedly at their reception.
De nieuwe getrouwden dansen getrouwd op hun receptie.
they rested marriedly on the couch after a long day.
Zij rustten getrouwd op de bank na een lange dag.
she answered marriedly, knowing exactly what he needed.
Zij antwoordde getrouwd, wetende precies wat hij nodig had.
the couple laughed marriedly at their shared joke.
Het koppel lachte getrouwd over hun gedeelde grap.
marriedly happy
Dutch_translation
marriedly speaking
Dutch_translation
marriedly so
Dutch_translation
being marriedly
Dutch_translation
marriedly lived
Dutch_translation
marriedly bound
Dutch_translation
marriedly tied
Dutch_translation
marriedly committed
Dutch_translation
marriedly devoted
Dutch_translation
marriedly arranged
Dutch_translation
they lived marriedly for fifty happy years.
Zij leefden getrouwd samen voor vijftig gelukkige jaren.
she smiled marriedly at her husband across the table.
Zij glimlachte getrouwd naar haar man over de tafel.
the couple behaved marriedly throughout the formal dinner.
Het koppel gedroeg zich getrouwd tijdens het formele diner.
they settled marriedly into their new home together.
Zij vestigden zich getrouwd samen in hun nieuwe huis.
he gazed marriedly at his bride on their wedding day.
Hij keek getrouwd naar zijn bruid op hun trouwdag.
the elderly pair walked marriedly through the garden.
Het oudere koppel wandelde getrouwd door het tuin.
they discussed their future marriedly over coffee.
Zij bespraken hun toekomst getrouwd over koffie.
she nodded marriedly, understanding his meaning perfectly.
Zij knikte getrouwd, en begreep zijn betekenis volledig.
the newlyweds danced marriedly at their reception.
De nieuwe getrouwden dansen getrouwd op hun receptie.
they rested marriedly on the couch after a long day.
Zij rustten getrouwd op de bank na een lange dag.
she answered marriedly, knowing exactly what he needed.
Zij antwoordde getrouwd, wetende precies wat hij nodig had.
the couple laughed marriedly at their shared joke.
Het koppel lachte getrouwd over hun gedeelde grap.
Ontdek vaak opgezochte woordenschat
Wil je efficiënter woordenschat leren? Download de DictoGo-app en profiteer van meer functies voor het onthouden en herhalen van woordenschat!
Download DictoGo nu