shaking

[US]/'ʃeikiŋ/
[UK]/ˈʃekɪŋ/
Frequency: Very High

Translation

n. zwaaien of heen en weer bewegen; trillen of schokken
v. heen en weer bewegen; trillen; handen schudden
Word Forms
Pluralshakings
Present Participleshaking

Phrases & Collocations

shaking table

schudtabel

Example Sentences

Her hands were shaking with fear.

Haar handen trilden van angst.

He was shaking with anger.

Hij beefde van woede.

The earthquake left everyone shaking with fear.

De aardbeving zorgde ervoor dat iedereen trilde van angst.

She was shaking with excitement before the big race.

Ze trilde van opwinding voor de grote race.

The cold wind had him shaking uncontrollably.

De koude wind zorgde ervoor dat hij oncontroleerbaar trilde.

His voice was shaking as he delivered the news.

Zijn stem trilde toen hij het nieuws overbracht.

The old building was shaking from the loud music.

Het oude gebouw trilde door de harde muziek.

She was shaking with anticipation before opening the gift.

Ze trilde van verwachting voordat ze het cadeau opende.

The ground was shaking during the earthquake.

De grond trilde tijdens de aardbeving.

The loud explosion had everyone shaking in fear.

De luide explosie zorgde ervoor dat iedereen trilde van angst.

Popular Words

Explore frequently searched vocabulary

Download App to Unlock Full Content

Want to learn vocabulary more efficiently? Download the DictoGo app and enjoy more vocabulary memorization and review features!

Download DictoGo Now